Onderzoek Paul van Geest

Augustinus’ waardering van angst en vrees

Dit onderzoek heeft betrekking op de wijze waarop Augustinus gevoelens als ‘vrees’ omschrijft of expliciteert. Augustinus’ denken over affecten als amor, dilectio, caritas zijn evenals over de concupiscentia reeds zeer vele studies verschenen. Zijn denken over de timor is evenwel nauwelijks onderwerp van studie geweest. Middels de hermeneutiek, waarmee in Stellig maar onzeker. Augustinus’ benadering van God cruciale teksten zijn ontsloten, zou een onderzoek naar Augustinus’ opvatting over de timor kunnen plaatsvinden.

Voor mensen die in God geloofden en geloven, en voor wie ook na de dood op in het hier en nu onvoorstelbare wijze ‘iets van’ verantwoording moet worden afgelegd, kan en kan de vrees of angst een levenshouding zijn die gepaard gaat met het ontzag voor God (timor reverentialis). Als in het onderhavige onderzoeksvoorstel het begrip angst of vrees wordt gebezigd, dan wordt deze ook niet uitsluitend als een psychosomatisch grondgevoel opgevat, maar vooral als een grondhouding voor God, die een zuiverende werking heeft op de menselijke passies. Bovendien ligt aan het onderhavige onderzoeksvoorstel de veronderstelling ten grondslag de vrees als affect in wisselwerking staat met het verwerven van inzicht in mensen en God en de vrees voor God een essentieel onderdeel is van de geestelijke weg

Bij het lezen van sleutelpassages wordt de chronologie van de werken in acht genomen om de ontwikkelingen van en zwaartepunten in Augustinus’ invulling te ontdekken. Deze component behelst dus een beschrijving en analyse van de denotatie en connotatie die Augustinus aan termen als timor toekent en de ontwikkelingen hierin. Het dient opgemerkt te worden dat in dit gedeelte van de studie niet alleen passages zijn geanalyseerd, waarin Augustinus expliciet over timor spreekt. Ook aan ‘timor’ verwante termen moeten in hun context worden bestudeerd voor zover dit bijdraagt aan de verdieping van het inzicht in de diepte en reikwijdte van Augustinus’ timor- begrip. Ten slotte wordt de diepte en reikwijdte van Augustinus’ denken over de timor ook in kaart gebracht door de cruciale passages, waarin hij de vrees ter sprake brengt, in het licht de plaatsen van de Griekse, Latijnse, Neoplatoonse, Stoicijnse en vroegchristelijke bronnen, waarin vóór of ten tijde van Augustinus visies op de timor en de hieraan gerelateerde passies te berde zijn gebracht.

Het ligt niet in de bedoeling alleen de Augustinus’ notie van de vrees te onderzoeken. Minstens zo interessant is het, de vrees bij Augustinus als werkelijkheid te bezien, die geloof veronderstelt en die groeit in het spanningsveld van de orde en wanorde in schepping en wereld. In het tweede gedeelte van het onderzoek wordt dus de wijze bestudeerd waarop Augustinus de vrees opwekt en intensiveert. In deze component worden in chronologische volgorde vooral díe teksten in onderzocht waarin Augustinus gevoelens van timor tracht te intensiveren door het gebruik van bepaalde gods- en mensbeelden, met als doel mensen uit te zuiveren, te verheffen tot God of hen ontvankelijk te laten worden voor de genade.

Tenslotte zal de spanning en wisselwerking tussen uitleg (1) en evocatie (2) van de timor worden onderzocht. In de synthese zal duidelijk worden hoe fundamenteel voor Augustinus de rol van de vrees is in het leven van de denkende, willende en handelende mens. De wisselwerking laat zich vooralsnog het beste verklaren middels een voorbeeld.

U kunt hier doorklikken naar de medewerkers pagina van Paul van Geest.