De kritiek op Kants filosofie

Hegels filosofie vormt het hoogtepunt van de wijsgerige stroming die gewoonlijk wordt aangeduid als het speculatief idealisme; zonder hier al in te kunnen gaan op de betekenis van de termen 'speculatief' en `idealisme' wordt hiermee gewoonlijk de periode in de Duitse filosofie aangeduid, die zijn uitgangspunt vindt in een bepaalde interpretatie van de filosofie van Kant en afgesloten wordt met Hegels filosofie.

Zoals u in leereenheden over Kant heeft kunnen bestuderen had Immanuel Kant met zijn kritische filosofie onderzocht of metafysica als wetenschap mogelijk is. Dit onderzoek leidde bij hem tot de voorafgaandelijke vraag naar de mogelijkheidsvoorwaarden en grenzen van het menselijk kenvermogen. Hij kwam daarbij tot de conclusie dat objectieve kennis steeds een verbinding is van inhoudelijke en formele elementen. Onze kennis moet vertrekken van datgene wat in de zintuiglijke ervaring gegeven is (de inhoud van het kennen); maar deze ervaringsgegevens moeten vervolgens met behulp van het structurerende vermogen van het verstand (de vorm van het kennen) gedacht worden in het kader van een meer algemene samenhang om zo een betrouwbare kennis van de aan ons verschijnende werkelijkheid op te leveren.
Hiermee had Kant echter tegelijk ook de grenzen van het menselijk kennen aangegeven; datgene wat aan de overzijde van die verschijningen ligt, het ding op zichzelf (Ding an sich), is voor onze kennis onbereikbaar, en wanneer de rede het wel wil proberen te kennen, vervalt ze in schijnredeneringen en schijnconclusies. Via de praktische rede kan de mens zich wel toegang verschaffen tot het domein van het 'op zich' (zo moet de praktische rede het bestaan van God wel poneren als een postulaat voor de moreel handelende mens), maar dit betekent voor Kant zeker geen uitbreiding van de theoretische, wetenschappelijke kennis.

Ondanks Hegels grote bewondering voor de filosofie van Kant oefent hij toch fundamentele kritiek uit op een aantal kernpunten van diens wijsbegeerte. Kant zelf beschouwt zijn filosofie als het resultaat bij uitstek van een kritisch nadenken van de zuivere rede, maar Hegel stelt dat daaronder tal van vooronderstellingen schuilgaan die niet kritisch bereflecteerd zijn. In de eerste plaats vraagt Hegel zich af of Kant wel zomaar een scheiding mag maken tussen de inhoud van het kennen (d.w.z. het object, de werkelijkheid, zoals die bestudeerd wordt door de metafysica) en de vorm ervan (de wijze waarop we kennen, zoals die bestudeerd wordt door de kenkritiek of epistemologie). In de visie van Kant wordt de weg waarlangs we kennis bereiken tot iets uitwendigs, tot een instrument van het kennen zelf. Op grond hiervan komt Hegel tot het verwijt dat Kants filosofie formalistisch is: het menselijk kenvermogen is een puur formele activiteit die volledig buiten datgene wat gekend wordt blijft staan. Volgens Hegel is de methode van het kennen daarentegen geen uitwendig middel, maar moet de eigen ontwikkeling van de inhoud van het kennen volgen. Kants eenzijdige nadruk op het formele aspect van de kennis leidt tot een tweede fundamenteel probleem, zijn dualisme. Weliswaar probeert hij vorm en inhoud van het kennen te verbinden, zoals blijkt uit zijn bekende gezegde dat gedachten zonder inhoud leeg zijn en aanschouwingen zonder begrippen blind (zie aldaar), maar toch blijven zij los van elkaar staan, omdat zij van een heel verschillende orde zijn. Eigen aan het kennende subject zijn een aantal a priori structuren of vormen (de zogenaamde categorieën), waaraan in de werkelijkheid niets beantwoordt. Terwijl de vorm van onze kennis dus eigen is aan het verstand, komt de materie, de inhoud van die kennis van buiten op ons af via de zintuigen.
Dit probleem culmineert in Kants beroemde ''onderscheid tussen 'verschijning' en 'ding op zich'.'' Wat de werkelijkheid op zichzelf is, kan onmogelijk worden uitgemaakt door het kennende subject dat in zijn kennis beperkt is tot de aan het kenvermogen verschijnende werkelijkheid. Hegel brengt hiertegen in dat het feit dat Kant deze problematiek in zijn filosofie bespreekt op zich al veronderstelt, dat de mens een zekere kennis van dit op zich heeft, dat het aan het kenvermogen verschijnt en uiteindelijk zelfs een product van het denken is.
Hiermee hangt ook samen dat Hegel niets wil weten van Kants principiële tegenstelling tussen verstand en rede; in de structurerende werking van het verstand is de rede als de hogere synthese van het denken steeds al mede aanwezig en daarom is de rede evenzeer een echt kenvermogen als het verstand. Het feit dat Kant zo sterk vasthoudt aan het verstand als het enige menselijke kenvermogen duidt volgens Hegel op een bepaalde, vooringenomen opvatting over de menselijke kennis, waardoor subject en object, vorm en inhoud, denken en zijn van elkaar gescheiden worden.
Tenslotte is er Kants scheiding tussen de theoretische en de praktische rede; ook deze tegenstelling is volgens Hegel volledig arbitrair, omdat al het morele handelen van de mens steeds plaatsvindt in een fysische wereld en dus niet los kan staan van de theoretische rede, die de wetmatigheden van die wereld onderzoekt.

Opdracht

De fundamentele vooronderstelling is telkens, dat Kant steeds uitgaat van de tegenstelling tussen beide termen en niet van hun eenheid. Daardoor ziet hij niet in dat vorm en inhoud van het kennen elkaar steeds bepalen, dat reeds in de verschijning altijd ook het ding op zich is meegegeven en dat de strikte scheiding tussen verstand en rede bijgevolg onhoudbaar is. Kant vertrekt dus steeds van de absoluutheid van het verstand en zijn tegenstelling en heeft bijgevolg geen oog voor hun principiëlere eenheid die enkel door de rede gekend kan worden. Daarom noemt Hegel Kants filosofie een verstandsfilosofie.