Dialectiek

Dit hele proces van opheffen in de typisch Hegeliaanse betekenis van die term wordt aangeduid met de term 'dialectiek'. De dialectiek kan dus in zekere zin begrepen worden als de methode om de vastgeworden tegenstellingen van het verstand in beweging te brengen door ze op hun tegendeel te betrekken en ze zo op te heffen in een hogere en meer oorspronkelijke eenheid. Hegel zou echter bezwaar maken tegen de term 'methode': dialectiek is niet zomaar een uitwendig middel dat men zou kunnen hanteren om de eindigheid van het verstand te overwinnen, maar verwijst naar de structuur van het denken zelf, die uiteindelijk samenvalt met de structuur van de werkelijkheid. De werkelijkheid is zelf een levende en bewegende totaliteit en daarom kan zij enkel in haar concreetheid gevat worden in een denkproces dat zelf dialectisch is. Evenzo blijft de dialectiek niet uitwendig aan het verstand en zijn tegenstellende bepalingen, maar is daarin inherent aanwezig; die bepalingen verwijzen immers vanuit zichzelf naar hun tegendeel, betrekken zich daarop en heffen zich op die manier op. De enige taak van de filosofie als speculatieve wetenschap is om dit proces systematisch te begrijpen en te verwoorden.

Wezenlijk voor de dialectiek is de eindigheid en negativiteit; elke eindige verstandsbepaling verwijst immers naar zijn eigen tegendeel, zijn negatie, en daardoor worden deze gefixeerde bepalingen in beweging gebracht. Het eindige is dus datgene wat overgaat in het andere, het tegengestelde; het is van binnenuit door negativiteit gekenmerkt. Dit is het moment van de vervreemding; door vanuit zichzelf over te gaan naar het andere, verschijnt een verstandsbepaling voor zichzelf als iets vreemds. Voor Hegel is deze negativiteit of vervreemding echter niet het laatste, maar vormt de aanzet tot een nieuwe positiviteit; de bepalingen van het verstand blijven niet, elkaar wederzijds negerend, tegenover elkaar staan, maar heffen zichzelf op in een hogere eenheid. Deze eenheid noemt Hegel de speculatieve synthese; zij komt niet tot stand door een uitwendige denkbeweging van een subjectief denken (bij voorbeeld de filosoof Hegel die nu eenmaal vindt dat er op die manier gedacht moet worden), maar het hele dialectische proces is enkel een verwoording van de eigen structuur en beweging van de werkelijkheid zelf, die uitmondt in het absolute als de dragende grond daarvan. De werkelijkheid zelf verplicht ons om haar dialectisch te denken.

Deze dynamische werkelijkheidsopvatting kan in zekere zin gezien worden als een wijsgerige doordenking van de christelijke scheppingstheologie. God is geen zelfgenoegzame gelijkheid met zichzelf, maar is krachtens zijn eigen aard ook steeds zelfveruitwendiging en bijgevolg negativiteit. Deze negativiteit culmineert in de kruisdood van Christus, die volgens Hegel als noodzakelijk moment van God bewaard moet blijven. Tegelijk echter duidt het begrip 'moment' erop dat deze negativiteit niet het laatste is, maar zelf de aanzet geeft tot de waarachtige positiviteit, die vanuit een christelijk perspectief voorgesteld wordt als de terugkeer van de schepping naar God toe door Christus. Ter illustratie hiervan het volgende citaat:

Het leven van God en het goddelijke kennen kan dus eventueel wel een spel van de liefde met zichzelf genoemd worden; maar deze idee vervalt tot iets stichtelijke en zelfs tot smakeloosheid, wanneer daarin de ernst, de smart, het geduld en de arbeid van het negatieve ontbreken. Op zich is het leven van God wel de ongestoorde gelijkheid met zichzelf, die het anders-zijn en de vervreemding niet ernstig neemt en evenmin ernst maakt met het overwinnen van deze vervreemding. Maar dit op-zich is de abstracte algemeenheid, waarin wordt afgezien van de aard van dit op-zich, namelijk om voor zich te zijn, en waarin bijgevolg in het algemeen abstractie wordt gemaakt van de zelfbeweging van de vorm. (...) Het ware is het geheel. Het geheel is echter alleen het wezen, dat door zijn ontwikkeling tot voltooiing komt. Van het absolute moet gezegd worden dat het wezenlijk resultaat is; en hierin bestaat juist de aard van het absolute, die werkelijkheid, subject of worden van zichzelf wil zijn.