Anselmus van Canterbury, Het ontologisch godsbewijs, Proslogion I-III

Uit: Anselmus van Canterbury, Proslogion (vert. C. Steel), Antwerpen/Baarn 1981, blz. 32-55




1. Opwekking van de geest tot het schouwen van god

Komaan mensenkind, ontvlucht een tijdje uw bezigheden, onttrek u een ogenblik aan uw onrustige gedachten. Werp nu uw drukkende zorgen weg en stel uw moeizame bedrijvigheid wat achteruit. Maak u een weinig vrij voor God en rust wat in Hem. Ga in de binnenkamer [Mt 6,6] van uw geest, sluit alles erbuiten behalve God en datgene wat u helpen kan Hem te zoeken, en zoek Hem na de deur gesloten [Mt 6,6] te hebben. Zeg nu, mijn ganse hart, zeg nu tot God : Ik zoek Uw aangezicht, Uw aangezicht, Heer, zoek ik gestadig [Ps 27,8].

Welaan dan Gij, Heer mijn God, onderricht mijn hart waar en hoe het U zoeken moet, waar en hoe het U vinden kan. Heer, indien Gij niet hier zijt, waar moet ik U, de afwezige, zoeken? Indien Gij echter overal zijt, waarom zie ik de aanwezige niet? Heel zeker, Gij woont in ontoegankelijk licht [1 Tim 6,16]. En waar is het ontoegankelijk licht? Of hoe kan ik naderen tot het ontoegankelijk licht? Of wie zal mij daarheen leiden en mij daarin binnenvoeren opdat ik U daarin zou mogen zien? En verder, onder welke tekenen, onder welke gedaante moet ik U zoeken? Nooit heb ik U, Heer mijn God, gezien, ik ken Uw aangezicht niet. Wat zal deze banneling doen, allerhoogste Heer, wat zal hij doen, zo ver van U verwijderd? Wat zal Uw dienaar doen die onrustig is wegens zijn liefde tot U en die ver van Uw aangezicht [Ps 51,13] is weggeslingerd? Hij snakt ernaar U te zien en Uw aangezicht is al te ver van Hem verwijderd. Hij hunkert ernaar om tot U te komen en Uw woning is ontoegankelijk. Hij begeert U te vinden, en hij weet niet waar Uw verblijfplaats is. Hij verlangt U te zoeken, en hij kent Uw aangezicht niet. Heer, Gij zijt mijn God en Gij zijt mijn Heer, en nooit heb ik U gezien. Gij hebt mij geschapen en herschapen, en al het goede dat mij ten deel gevallen is, hebt Gij mij verleend, en nog ken ik U niet. Ten slotte, om U te aanschouwen ben ik geschapen, en nog heb ik niet gedaan waartoe ik geschapen ben.

O ellendig lot van de mens, daar hij juist dit verloren heeft waartoe hij geschapen is! O die harde en wrede val! Wee! Wat heeft hij verloren en wat heeft hij gevonden, wat heeft hem verlaten en wat is hem gebleven! De gelukzaligheid, waartoe hij geschapen is, heeft hij verloren, en de ellende, terwille waarvan hij niet geschapen is, heeft hij gevonden. Verlaten heeft hem datgene zonder hetwelk niets geluk bijbrengt, en gebleven is hem wat door zichzelf alleen maar ellende bewerkt. Eertijds at de mens het brood der engelen [Ps 78,25], waarnaar hij nu hongert; nu eet hij het brood der smarten [Ps 127,2], dat hij toen niet kende. Wee! Algemeen is de rouw van de mensen, universeel het gejammer van de zonen van Adam! Hij rispte van verzadiging, wij smachten van honger. Hij leefde in overvloed, wij bedelen. Hij was in het bezit van geluk en gaf het jammerlijk prijs, wij lijden gebrek in ons ongeluk en begeren in onze ellende, en wee ons, wij blijven leeg. Waarom heeft hij niet, terwijl hij het gemakkelijk kon, voor ons bewaard wat wij zo smartelijk zouden missen? Waarom heeft hij het licht zo voor ons afgegrendeld en ons met duisternis omhuld? Waartoe heeft hij ons het leven ontnomen en ons de dood berokkend? Rampzaligen, van waar zijn wij verdreven, waarheen gedreven! Waaruit zijn wij neergestort, waarin verzonken! Uit het vaderland in de ballingschap, van de aanschouwing Gods in onze blindheid, van de vreugde der onsterfelijkheid in de bitterheid en de gruwel van de dood. Wat een trieste verandering! Van wat een goed in wat een kwaad! Wat een vreselijk verlies, een vreselijke smart! Wat vreselijk de gehele toestand!

Wee mij ongelukkige, één van de ongelukkige kinderen van Eva die verwijderd zijn van God! Wat ben ik begonnen, wat heb ik tot stand gebracht? Waarnaar streefde ik, waar ben ik beland? Naar wat verlangde ik, waarin versmacht ik? Ik zocht het goede [Ps 122,9], en zie, hier is verschrikking [Jer 14,19]. Ik streefde naar God, en ben gestoten op mij zelf. Rust zocht ik in mijn afzondering, en kwelling en smart vond ik [Ps 116,3] in mijn binnenste. Ik wilde lachen vanwege de vreugde van mijn geest, en ik word genoopt te schreeuwen vanwege het gejammer van mijn hart [Ps 38,9]. Op vreugde had ik gehoopt, en zie hoe mijn zuchten steeds aanzwellen!

En Gij, Heer, hoe lang nog [Ps 6,4]? ''Tot hoe lang, Heer, zult Gij ons vergeten? Tot hoe lang wendt Gij Uw aangezicht van ons af? '' Wanneer zult Gij naar ons omzien en ons verhoren [Ps 13,1-4]? Wanneer zult Gij onze ogen verlichten en ons Uw aangezicht tonen [Ps 80,4-8]? Wanneer zult Gij U aan ons terugschenken? Zie naar ons om, Heer, verhoor ons, verlicht ons, toon ons U zelf. Geef U zelf aan ons terug opdat het ons, die het zonder U zo slecht stellen, goed moge gaan. Erbarm U over onze moeite en onze pogingen om tot U te komen, wij die niets zonder U vermogen. Gij nodigt ons uit, dus help ons [Ps 79, 9]! Ik smeek U, Heer, laat mij niet wanhopig worden door mijn verzuchtingen, maar laat mij door te hopen tot verademing komen. Ik smeek U, Heer, mijn hart is verbitterd in zijn verlatenheid, verteder het door Uw vertroosting. Ik smeek U, Heer, hongerend ben ik begonnen U te zoeken, laat mij niet ledig ophouden zonder aan U te hebben deel gehad. Uitgehongerd ben ik aangekomen, laat mij niet onverzadigd weggaan. Arm ben ik tot de rijke gekomen, ellendig tot de barmhartige, laat mij niet ledig en veracht terugkeren. En indien ik vooraleer te eten zucht [Job 3,24], geef dat ik althans na mijn verzuchtingen mag eten. Heer, neergebogen kan ik slechts naar omlaag zien, richt mij op zodat ik mijn blik naar omhoog kan richten. Mijn ongerechtigheden zijn mij boven het hoofd gegroeid, zij omhullen mij, en als een zware last [Ps 38,5] drukken zij mij neer. Bevrijd mij, neem de last van mij weg opdat de put van zijn zonden zijn mond niet boven mij zou sluiten [Ps 69,16]. Laat het mij vergund zijn op te zien naar Uw licht, al is het maar van verre, al is het vanuit de diepte. Leer mij U te zoeken en toon U aan de zoekende. Want ik kan U zelfs niet zoeken, indien Gij mij niet onderricht, noch U vinden, indien Gij U niet toont. Moge ik U zoeken door naar U te verlangen, moge ik naar U verlangen door U te zoeken. Moge ik U vinden door U te beminnen, moge ik U beminnen door U te vinden.

Ik belijd, Heer, en ik dank U ervoor, dat Gij in mij dit beeld van U geschapen hebt, zodat ik, U indachtig, U kan denken, U beminnen. Maar dit beeld is zozeer door de ondeugden afgeschuurd en uitgewist, het is zozeer door de walm der zonden verduisterd, dat het niet vermag te doen waartoe het geschapen is, tenzij Gij het vernieuwt en hervormt.

Ik probeer niet, Heer, in Uw verhevenheid door te dringen, want ik acht mijn verstand hiermee geenszins te vergelijken. Maar ik verlang er naar Uw waarheid, die mijn hart gelooft en bemint, tot op zekere hoogte in te zien. Ik zoek immers niet in te zien om te geloven, maar ik geloof om in te zien. Want ook dit geloof ik: dat ik niet zal inzien, tenzij ik geloofd zal hebben [Is 7,9]

2. Dat god waarlijk bestaat

Daarom, Heer, Gij die aan het geloof inzicht verleent, laat mij inzien, in de mate dat Gij het heilzaam acht, dat Gij zijt gelijk wij geloven en dat zijt wat wij geloven. Welnu, wij geloven dat Gij iets zijt waarboven niets groter gedacht kan worden.

Of bestaat een dergelijke natuur dan niet aangezien de dwaas in zijn hart heeft gezegd: er is. geen God [Ps 14,1; 53,2]? Nochtans diezelfde dwaas, wanneer hij juist dit wat ik zeg 'iets waarboven niets groter gedacht kan worden' hoort, verstaat stellig wat hij hoort; en wat hij verstaat, is in zijn verstand, ook al ziet hij niet in dat dit 'is'. Want dat een ding in het verstand is, is niet hetzelfde als inzien dat dit ding bestaat. Want wanneer een schilder van tevoren bedenkt wat hij maken zal, dan heeft hij dit wel in zijn verstand, maar hij ziet nog niet in dat datgene wat hij nog niet gemaakt heeft, bestaat. Wanneer hij het evenwel al geschilderd heeft, dan heeft hij het in zijn verstand en ziet hij ook in dat wat hij al gemaakt heeft, bestaat. Zo dan wordt ook de dwaas ervan overtuigd dat 'iets waarboven niets groter gedacht kan worden' op zijn minst in het verstand is, omdat hij dat, wanneer hij het hoort, verstaat, en al wat verstaan wordt in het verstand is. En zeker kan 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' niet in het verstand alleen zijn? Want indien het uitsluitend in het verstand is, dan kan men denken dat het ook in werkelijkheid is, hetgeen groter is. Indien dus 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' alleen in het verstand is, dan is precies 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' datgene waarboven wel iets groter gedacht kan worden. Maar dat is zeker onmogelijk. Bijgevolg bestaat zonder enige twijfel 'iets waarboven niets groter gedacht kan worden' zowel in het verstand als in werkelijkheid.

3. Dat niet gedacht kan worden dat hij niet bestaat

Dit wezen bestaat zo waarlijk dat men zelfs niet kan denken dat het niet bestaat. Want men kan iets denken waarvan niet gedacht kan worden dat het niet bestaat; en dat is groter dan datgene waarvan wel gedacht kan worden dat het niet bestaat. Daarom, indien van 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' gedacht kan worden dat het niet bestaat, dan is juist `datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' niet `datgene waarboven niets groter gedacht kan worden'; wat tegenstrijdig is. Derhalve bestaat 'iets waarboven niets groter gedacht kan worden' zo waarlijk dat men zelfs niet kan denken dat het niet bestaat.

En dat zijt Gij, Heer, onze God. Zo waarlijk zijt Gij dus, Heer, mijn God, dat men zelfs niet kan denken dat Gij niet bestaat. En terecht. Want indien een geest iets beter dan U ver- mocht te denken, dan zou het schepsel stijgen boven de schepper en over de schepper oordelen, wat helemaal ongerijmd is. En inderdaad, gelijk wat anders, behalve U alleen, kan gedacht worden niet te bestaan. Derhalve bezit Gij alleen het zijn in de meest waarachtige zin en daarom ook het meest van al, omdat gelijk wat anders dat bestaat, niet zo waarlijk bestaat [als Gij], en daarom het zijn in mindere mate heeft.

Waarom dan heeft de dwaas in zijn hart gezegd: er is geen God [Ps 14,1; 53,2], terwijl het toch voor de redelijke geest zo evident is dat Gij het meest van al zijt? Waarom anders dan omdat hij dwaas en onverstandig is?