Aristoteles, De onbewogen beweger

Metaphysica Lambda 1072 a 20 – b 30. Uit: Aristoteles, Het Opperwezen (vert. C. Verhoeven), Antwerpen/Baarn 1989, blz. 36-38




(…) Er is iets wat zich altijd beweegt in een onophoudelijke beweging, en die beweging is de cirkelvormige beweging - en dat wordt niet alleen duidelijk uit het begrip, maar ook uit de feiten - zodat de eerste hemel wel eeuwig moet zijn.
Er is dus ook iets wat beweging veroorzaakt. Omdat nu datgene wat bewogen wordt, zowel iets is wat in beweging brengt als iets wat bemiddelt, is er ook [25] iets wat in beweging brengt zonder in beweging gebracht te worden, iets wat eeuwig is, wat wezen en verwerkelijking is. Op deze manier brengt dat wat verlangd wordt en wat gedacht wordt in beweging: het brengt in beweging zonder in beweging gebracht te worden. Het eerste daarvan is hetzelfde. Want dat wat begeerd wordt, is wat er als mooi uitziet, maar dat wat allereerst voorwerp van willen is, is dat wat mooi is. Wij verlangen naar iets eerder omdat het een bepaalde indruk wekt dan dat het die indruk wekt omdat wij ernaar verlangen.
[30] Want het denken van de geest [noèsis] is het beginsel. Maar de geest wordt in beweging gebracht door wat in de geest gedacht wordt. Maar 'gedacht' is een van de twee delen van een reeks op zichzelf genomen. Het eerste daarvan is het wezen en daarvan weer het wezen zonder meer en in zijn verwerkelijktheid. (Maar het ene en het enkelvoudige zijn niet hetzelfde, want het ene duidt op een maat, het enkelvoudige op de manier waarop iets gesteld is.)
Maar ook het mooie en dat wat [35] om zichzelf verkozen wordt, hoort in dezelfde reeks. En het eerste is altijd het beste of daaraan analoog.
[1072 b] Dat het 'omwille waarvan' behoort tot de dingen die niet in beweging gebracht worden, maakt de ontleding duidelijk. Want er is een 'omwille waarvan' voor iets en van iets: het ene behoort daar wel toe, het andere niet. Het ene brengt iets in bewe¬ging als voorwerp van verlangen, het andere brengt het in bewe¬ging door wat in beweging gebracht wordt.
Wanneer nu iets in beweging gebracht wordt, is het denkbaar dat het in een andere toestand is. [5] Als bijgevolg de eerste verplaat¬sing er ook in verwerkelijking is, is het denkbaar dat zij juist in zoverre zij bewogen wordt, er anders uitziet, namelijk met betrek-king tot de ruimte, al is het niet met betrekking tot haar wezen. Maar omdat er iets is wat in beweging brengt zonder in beweging gebracht te worden, iets wat er in verwerkelijking is, is het niet denkbaar dat juist dat in een andere toestand is. Want verplaatsing is de eerste van de veranderingen en daarbinnen de cirkelvormige. Volgens die beweging nu brengt dat beginsel in beweging.
[10] Het kan dan ook niet anders of het is er; en als dat niet anders kan, is het er ook op een mooie manier: en op die manier is het beginsel er. Want dat iets niet anders kan, wordt gezegd in deze betekenissen: in de betekenis 'met geweld', tegen de eigen aandrift in, in de betekenis van 'waar het goede niet buiten kan' en in de betekenis 'het is niet mogelijk (niet denkbaar) dat het anders is, maar het is zonder meer zo'.
Van zo'n beginsel nu zijn de hemel en de natuur afhankelijk. Het bestaan ervan is zo als het [I 5] voor ons op zijn best - maar voor korte tijd - is. Dat is altijd in die toestand - want voor ons is dat een onmogelijkheid - omdat de verwerkelijktheid daarvan ook een genot betekent - en daarom is wakker zijn, waarnemen en denken het grootste genoegen en via die dingen weer .verwachtingen en herinneringen.
Het denken op zich is gericht op wat het beste is op zich en het denken dat in de meest strikte zin denken is, is gericht op wat in de meest strikte zin het beste is. De denkende geest denkt zichzelf [20] krachtens zijn deelname aan wat gedacht wordt. Want hij wordt gedacht doordat hij aan het gedachte raakt en het denkt, zodat de denkende geest en het gedachte hetzelfde zijn. Want dat wat ont¬vankelijk is voor het gedachte en voor het wezen is de denkende geest. En hij komt tot verwerkelijking door het zich eigen te ma¬ken, zodat dit laatste eerder dan het eerste dat is wat de denkende geest aan goddelijks heet te hebben; en daarom is de beschouwing bij uitstek het meest aangename en het beste.
Wanneer nu de god altijd in die gelukkige toestand is [25] waarin wij soms zijn, is dat wonderlijk. Wanneer hij daarin in een nog hogere mate verkeert, is dat nog wonderlijker. Ook leven is er in hem aanwezig, want de verwerkelijking van de denkende geest is leven en de god is bij uitstek de verwerkelijktheid. En zijn verwer¬kelijktheid op zichzelf is het beste en eeuwige leven. Wij zeggen dan ook dat de god het eeuwige, beste levende wezen is, zodat de god een onafgebroken bestaan in zich heeft. [30] Juist dat immers is de god.