Kritiek op de metafysische godsbewijzen

Kant wijst in de transcendentale Dialektik uitvoerig op moeilijkheden, tegenstrijdigheden en bewijsfouten in de metafysica, wanneer zij uitspraken doet over God, wereld en ziel. Ik beperk me tot zijn kritiek op de godsbewijzen (3,392-419).

Opdracht

Het teleologische bewijs (of fysico-theologisch bewijs) wijst op de doelmatige ordening van de natuur en verklaart haar met een beroep op een wereldbouwmeester. Dit bewijs stond in de 18e eeuw in hoog aanzien. Met behulp van microscoop en telescoop werden nieuwe werelden ontdekt, waarvan men voordien niets wist. Dit natuuronderzoek deed de literatuur van de fysico-teleologie bloeien onder de indruk als men was van de schoonheid en doelmatigheid van de natuur. Kant, die zelf een sterke religieuze natuurervaring had, noemt het teleologisch bewijs het oudste, helderste en het de mens meest aansprekende bewijs voor God.
Het kosmologische bewijs gaat uit van de algemene ervaring dat er een wereld is, of tenminste het bestaan van mijzelf. Dit vraagt om een verklaring, een grond of oorzaak. Het bestaan van de wereld (of van mijzelf) is toevallig en niet-noodzakelijk. Het toevallig-zijn vraagt om een noodzakelijk-zijn als zijn dragende grond. Zo komt men tot een eerste oorzaak.
Het ontologische bewijs (Anselmus en Descartes) gaat uit van het begrip van God als een allervolmaaktst wezen. Het is volmaakter wel te bestaan dan niet te bestaan. Zo ligt in het begrip van God als een allervolmaaktst wezen zijn bestaan besloten. Als God niet zou bestaan, zou dat in tegenspraak zijn met het begrip van God als het allervolmaaktst wezen.

Kritiek op het fysico-theologisch of teleologisch bewijs had Hume reeds geleverd (zie aldaar). Kant voegt geen nieuwe punten van kritiek eraan toe.
In een vroeg geschrift wijst hij erop dat zijn tijdgenoten al te gemakkelijk doelmatigheden in de natuur lezen. Als iets nuttig blijkt voor de mens, wordt het verklaard uit een goddelijke bedoeling. Men hoede zich voor de spot van Voltaire als hij opmerkt: 'zie daar, waarom wij neuzen hebben?, zonder twijfel om er brillen op te zetten'.
Kant wijst er verder op dat dit bewijs op zichzelf genomen tot een zwak en onhelder begrip van God leidt. Men neemt een overeenkomst aan tussen de mens als ontwerper en God als bouwmeester en kent dan vervolgens een oneindig veel grotere macht en voortreffelijkheid aan God toe. God vergeleken met een menselijke architect, maar dan veel grootser gelet op de grootsheid van de schepping. Dat is toch een onbepaald begrip van God? Een architect als ontwerper is toch in heel wat opzichten verschillend van de Schepper van hemel en aarde? En daar komt nog dit bij. Niemand kan via empirische weg de stap doen naar de absolute totaliteit van de wereld - de wereld die een idee is van de rede - en haar in de juiste verhouding zien tot de hoogste oorzaak van de wereld. Kortom: hoe aansprekend dit bewijs ook is voor de gelovige, de bewijskracht ervan is zwak.
Het teleologische bewijs steunt op het kosmologische bewijs. Daarin gaat het namelijk maar niet om een grootse architect, maar om God als eerste oorzaak van de wereld. Van het toevallige van de wereld of van mijzelf - de wereld of ik hadden er ook niet kunnen zijn -besluit men tot het noodzakelijke, iets dat noodzakelijkerwijze bestaat, een eerste oorzaak.
Men neemt hiermee, zo luidt de kritiek van Kant, zomaar aan dat een oneindig teruggaan in het zoeken naar oorzaken onmogelijk is. Vanuit zijn kenleer gezien is vooral het volgende bezwaar beslissend: hier wordt het a priori-beginsel van oorzaak en gevolg buiten de werkelijkheid van de verschijnselen gebruikt. Zoals wij hierboven hebben gezien, geldt het alleen voor gegevens binnen de Sinnenwelt (= zintuiglijke wereld). Het is daarom onmogelijk te besluiten tot een oorzaak van de wereld. Het begrip wereld is een idee van de rede waaraan geen ermee corresponderend voorwerp via de zintuigen kan worden gegeven.
Het kosmologisch bewijs komt tot een noodzakelijk wezen, een eerste oorzaak (die de oorzaak van zijn bestaan in zichzelf heeft). Maar geeft dit bewijs zo een goed begrip van God? Ook al erkennen we dat het nadenken over de toevalligheid van het bestaan ons aanleiding geeft een noodzakelijk wezen aan te nemen, dan weten we verder nog niets van deze eerste oorzaak. Kunnen we bijvoorbeeld tot een eerste oorzaak bidden? Op grond van het kosmologisch bewijs weten we verder niets over zijn eigenschappen. De eerste oorzaak van de wereld, het noodzakelijke wezen kan beter omschreven worden als een wezen van onbegrensde werkelijkheid, een ens realissimum (= ‘allerwerkelijkst wezen’). Hiermee worden we verwezen naar het ontologisch bewijs.
Het ontologische bewijs gaat uit van het begrip van God als een wezen van onbegrensde volmaaktheid en werkelijkheid. Aangezien het volmaakter is te bestaan dan niet te bestaan, zou het in tegenspraak zijn met het begrip van God om zijn bestaan te ontkennen. Zegt ook de psalmdichter al niet: 'de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God?' (Ps. 14:1).
De kritiek is hier dat zomaar van de orde van het denken wordt overgestapt naar de orde van het zijn. Er is een verschil tussen de uitspraak 'God is almachtig' en 'God is'. In de eerste uitspraak wordt een eigenschap aan het subject toegekend via een koppelwerkwoord. In de tweede gaat het om een existentie-oordeel: 'God bestaat'. We kunnen van iets allerlei eigenschappen opnoemen; iets is groot, goed, houdbaar enzovoorts. Maar ''Kant betwist dat 'bestaan' ook een eigenschap van iets is''. Door al of niet te bestaan wordt aan de inhoud van een begrip niets toegevoegd en wordt ook de volkomenheid ervan niet groter. Zoals Kant zegt: honderd werkelijke daalders bevatten niets meer dan honderd mogelijke.
Kortom: het ontologisch bewijs, waartoe de andere beide bewijzen zijn te herleiden, is ongeldig.
Hiermee is niet het laatste woord gesproken over de godsbewijzen. Aan het eind van deze leereenheid kom ik erop terug. Hier gaat het om Kants kritiek op metafysische bewijsvoering. De conclusie is dat het bestaan van God niet objectief-theoretisch is te bewijzen. Evenmin zijn objectief-theoretische uitspraken over de wereld en de ziel mogelijk. God, wereld en ziel zijn geen kenbare grootheden en vallen derhalve niet binnen de wereld van de Erscheinungen. Als ideeën van de rede zijn het geen entiteiten die we theoretisch kunnen kennen, maar iets dat we kunnen denken. Het zijn noumena (gedachten-wezens).

De werkelijkheid valt voor Kant niet samen met hetgeen de mens kan kennen, de wereld van de Erscheinungen (zie voor het onderscheid Erscheinung en Ding an sich de betreffende paragraaf). De term Erscheinung (verschijnsel) wijst daar al op: hetgeen verschijnt is een verschijning van iets, het 'Ding an sich'. Dat is het ding voorzover het geen object is van onze zintuiglijke aanschouwing. De grenzen van onze kennis reiken dus niet tot de grenzen van de werkelijkheid. Kant is zich diep bewust van de eindigheid van de menselijke kennis. Vandaar ook dat de ideeën van de rede een aparte plaats innemen in zijn kenleer. Of er werkelijkheid, iets bestaands, correspondeert met de ideeën, kan theoretisch noch bevestigd, noch ontkend worden.

Ondanks zijn kritiek op de metafysica van zijn tijd staat Kant anders tegenover metafysica dan Hume, voor wie elke metafysische uitspraak betekenisloos is. Noumena zoals God, wereld en ziel zijn dan wel niet te kennen, maar wel te denken. Door dit zo te stellen bereidt hij zijn spreken over God en de ziel voor in verband met het morele handelen van de mens.
Ook voor de theoretische kennis hebben de ideeën van de rede een functie. Zij brengen, zoals reeds is gezegd, samenhang in de kennis. Zij hebben voor de kennis een regulerende functie. Kant noemt ze dan ook regulatieve beginselen. Daarmee wordt nog eens het verschil met de begrippen en beginselen van het verstand aangegeven. Laatstgenoemde zijn voorwaarden voor de kennis. Ze zijn constitutief voor de kennis, maken kennis mogelijk. De ideeën van de rede treden op als een richtsnoer om kennis samenhang te geven, niet om die te constitueren. Maar we kunnen niet nalaten om die samenhang te denken. De idee ziel is een onvermijdelijke vorm waarin we ons eenheid en samenhang in het zielenleven kunnen denken. De idee wereld is onvermijdelijk om de reeks verschijnselen zo te verbinden dat ze op elkaar betrokken zijn binnen een overkoepelende eenheid, de wereld. En de idee God gebruikt de rede zo, dat zij de oorspronkelijke eenheid achter alle ervaring stelt.